Rookpreventie Jeugd daagt Staat voor rechter

8 september 2014

Rookpreventie Jeugd daagt Staat voor rechter

Stichting Rookpreventie Jeugd daagt de Staat der Nederlanden voor de rechter om een einde te maken aan de structurele, veel te grote invloed van de tabakslobby op het anti-rookbeleid van de overheid.

Rookpreventie Jeugd eist dat de Staat zich strikt houdt aan een door Nederland zelf ondertekend en daarmee juridisch bindend anti-rookverdrag (WHO FCTC). Een van de belangrijkste artikelen daarin bepaalt dat elke vorm van invloed van de tabaksindustrie op het tabaksontmoedigingsbeleid vermeden moet worden. In de dagvaarding toont de stichting met tientallen voorbeelden aan dat de overheid deze bepaling stelselmatig overtreedt en bij beleidsontwikkeling de tabaksindustrie zelfs uitnodigt om haar standpunten in te brengen.

19.000 tabaksdoden
Jaarlijks sterven meer dan 19.000 Nederlanders aan de gevolgen van het roken. De helft van hen is jonger dan 65 jaar. Elke dag beginnen gemiddeld 120 kinderen onder de 18 jaar met roken. 60 van hen zullen hun hele verdere leven blijven roken en 30 zullen voortijdig aan de gevolgen ervan overlijden.

Roken is verreweg de belangrijkste doodsoorzaak die door preventie voorkomen kan worden. De marketingtechnieken van de tabaksindustrie zijn echter dermate geraffineerd, dat veel jongeren de verleiding om met roken te beginnen niet kunnen weerstaan. Sigaretten zijn bovendien zo gemaakt dat zij sterk verslavend zijn. Kinderen die beginnen met roken zijn binnen enkele weken verslaafd. Voor velen van hen is daarna geen sprake meer van ‘vrije wil’: zij zijn niet in staat zonder hulp te stoppen met roken.

Staat moet burgers beschermen
Op grond van een groot aantal nationale en internationale wetten en verdragen heeft de Staat de plicht de gezondheid van zijn burgers te beschermen tegen een ernstige ziekteverwekker als tabak. Met niet minder dan 19.000 tabaksdoden per jaar, heeft de Staat de plicht alles in het werk te stellen om die massale vroegtijdige en ellendige dood te bestrijden. En zeker dient hij in dit geval te voorkomen dat minderjarigen beginnen met roken, omdat bijna niemand na zijn 18de nog begint.

Toch verzuimt de Staat maatregelen te nemen die dat zeer effectief kunnen bewerkstelligen: een forse verhoging van de accijns op tabak en sterke vermindering van het huidige aantal van meer dan 60.000 verkooppunten. In plaats daarvan laat de overheid de oren hangen naar de tabaksindustrie die met een effectieve lobby strengere maatregelen om tabaksgebruik te ontmoedigen steeds weer weet tegen te houden.

FCTC-verdrag
De dagvaarding spitst zich toe op het feit dat de regering de tabakslobby nog altijd invloed geeft op het te voeren tabaksontmoedigingsbeleid. Dat is regelrecht in strijd met bepalingen in het internationale verdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie – de Framework Convention on Tobacco Control (FCTC) – dat Nederland samen met 179 andere landen heeft ondertekend en dat juridisch bindend is.

Artikel 5.3 van het FCTC-verdrag bepaalt dat de ondertekenaars bij het ontwikkelen en vaststellen van hun tabaksontmoedigingsbeleid de tabaksindustrie geen enkele invloed mogen geven. Met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur heeft de Stichting Rookpreventie Jeugd honderden documenten in handen gekregen waaruit blijkt dat ‘Den Haag’ de afgelopen jaren veelvuldig en op verschillende manieren contact heeft onderhouden met vertegenwoordigers van de tabaksindustrie over allerlei onderdelen van het tabaksontmoedigingsbeleid.

Met regelmaat nodigen ambtenaren van de ministeries van Financiën en VWS vertegenwoordigers van de tabaksindustrie rechtstreeks uit om hun commentaar te geven op conceptbeleid. Ook wordt regulier met de tabaksindustrie overlegd over lopende beleidszaken. In veel gevallen worden van deze bijeenkomsten geen notulen gemaakt en van transparantie over de contacten is in het geheel geen sprake.

Invloed op beleid
De vrijgegeven documenten laten zien dat vertegenwoordigers van de tabaksfabrikanten soms eerder dan de minister of het parlement vertrouwelijke stukken in handen krijgen over anti-rookmaatregelen. De correspondentie maakt duidelijk dat de overheid de tabakssector inspraak geeft in belangrijke beleidskwesties over tabak. Het ministerie van Financiën heeft zelfs een of twee keer per jaar een ‘regulier overleg’ met de tabakssector, waarbij niet alleen over uitvoeringstechnische, maar ook over inhoudelijke zaken wordt gesproken. Dat laatste is precies wat het FCTC-verdrag wil voorkomen.

De tabakssector blijkt niet alleen ongevraagd advies te geven, maar wordt ook regelmatig rechtstreeks uitgenodigd door ambtenaren om commentaar te leveren op concept wet- en regelgeving. Ambtenaren bezochten ook bijeenkomsten van de tabaksindustrie, zoals een congres waar werd gesproken over het “gevaar” van hoge accijnzen, die smokkel in de hand zouden werken.

De tabaksindustrie heeft, kortom, een vaste positie als gesprekspartner van de Nederlandse overheid veroverd. Regelmatig is er dan ook sprake van ‘kennismakingsgesprekken’, waarbij lobbyisten en/of medewerkers van de tabaksindustrie zich komen voorstellen aan overheidsdienaren en vice versa. Bij die gelegenheden blijft het niet bij kennismaken alleen, maar komen ook inhoudelijke kwesties aan de orde.

Een enkele keer verraden de documenten dat er ook telefonisch wordt overlegd, zoals blijkt uit intern e-mailverkeer tussen ambtenaren van het ministerie van Volksgezondheid. “Ik kreeg Van Kesteren van het VNO aan de lijn,” schreef een ambtenaar. Van Kesteren is directeur van de in Nederland zeer machtige werkgeversorganisatie VNO-NCW. Hij belde om de zorgen van de tabaksfabrikanten, ook leden van VNO-NCW, te delen over op handen zijnde Europese anti-rookmaatregelen. De fabrikanten beklaagden zich dat ze nog niet wisten hoe het ministerie op die voorstellen zou gaan reageren.

Van Kesteren werd gerustgesteld. “Ik heb hem verteld,” mailde de ambtenaar zijn collega, “dat wij nu juist met die jongens de afspraak hebben gemaakt af en toe om tafel te gaan zitten om de internationale agenda transparant te maken, hun de kans te geven inbreng te leveren en helderheid te krijgen over onze inzet.”

De Stichting Rookpreventie Jeugd heeft verder bewijzen dat de tabakssector in Nederland invloed heeft gehad op onder andere:

*De implementatie van Europese Tabaksaccijnsrichtlijn 2010/12/EU. Deze richtlijn is bedoeld om de tabaksaccijns in de Europese Unie harmoniseren.

*Het binnenlandse tabaksaccijnzenbeleid. De tabakssector mag zelfs meebeslissen over de hoogte van de accijnzen. Een voorbeeld: Op 15 maart 2012 had toenmalig staatssecretaris van Financiën Frans Weekers een ontmoeting met vertegenwoordigers van de tabaksbranche. Zij spraken onder meer over de “Tariefnota 2013” waarin de hoogte van de accijnzen wordt vastgesteld. Eerder had de sector voorstellen gedaan voor een accijnsstructuur voor de lange termijn.
Op 6 april bedankt de staatssecretaris de deelnemers voor hun inbreng:
“Met belangstelling heb ik vorig jaar kennis genomen van de visie van de gehele tabaksindustrie op een duurzame accijnsstructuur voor de lange termijn. […] De verschillende elementen uit het plan van de sector komen in de tariefnota aan de orde. […] Echter voordat deze (aan de Tweede Kamer, red.) verzonden wordt, wil ik de hoofdlijnen van de tariefnota graag bespreken in een regulier overleg met de tabaksbranche.”

*Veranderingen in het systeem van BTW-berekening over tabakswaren. De tabakssector kreeg op 18 januari 2013 een concept van een ministeriële regeling te zien die de staatssecretaris nog moest goedkeuren. De ambtenaar die het stuk aan de sector stuurde, scheef:
“Bijgaand treft u zoals beloofd de conceptversie van de regeling aan. Het betreft een vertrouwelijk eerste concept en geheel onder voorbehoud van accordering in de ambtelijke lijn en door de staatssecretaris.” Hij verzocht “om deze versie vertrouwelijk te behandelen en niet verder te verspreiden zonder onze toestemming.” En: “We zouden graag op korte termijn jullie commentaar op deze regeling ontvangen vanwege door iedereen gewenste spoed. Op deze manier hebben wij de mogelijkheid om jullie opmerkingen te verwerken en tijdig over te gaan tot het informeren van belanghebbenden.”

*De ontwikkelingen van richtsnoeren van het FCTC-verdrag zelf. In 2013 nodigde het ministerie van Financiën vertegenwoordigers van de tabaksbranche uit om mee te denken over de uitleg die aan Artikel 6 van het FCTC-verdrag moet worden gegeven. Artikel 6 schrijft de deelnemende staten voor dat zij prijs- en belastingmaatregelen nemen om de vraag naar tabak te verminderen. De nadere invulling van Artikel 6 wordt door de verdragspartners gezamenlijk in richtlijnen vastgelegd tijdens de tweejaarlijkse Conference of Parties (COP).
Ook Nederland levert daarvoor zijn inbreng en ging daarvoor te rade bij….de tabaksbranche. In een e-mail van 17 juli 2013 schrijft een beleidsmedewerker van het ministerie van Financiën aan een vertegenwoordiger van de tabaksbranche: “Wanneer de COP6 bijeenkomst nadert, zien we uw toelichting [met betrekking tot artikel 6, red.] (en die van de andere branchegenoten) graag tegemoet. In het najaar [2013, red.] zal weer een overleg tussen het ministerie van Financiën en de tabaksbranche worden gepland. De ontwikkelingen van de richtsnoeren m.b.t. artikel 6 FCTC zal worden opgenomen als een van de agendapunten. Tijdens dit overleg zullen we vanzelfsprekend ook in de gelegenheid zijn om met elkaar kennis te maken.”

*De Europese Tabaksproductenrichtlijn (TPD). De staatssecretaris van Volksgezondheid gaf de tabaksbranche schriftelijke inspraak op het regeringsstandpunt over de Brusselse anti-rookvoorstellen voordat dit naar de Tweede Kamer werd gestuurd. Dat blijkt uit onder meer uit een e-mail van eind december 2012 van Volksgezondheid aan een topman van Philip Morris: “Ik e-mail je naar aanleiding van het voorstel van de Commissie voor herziening van de tabaksproductenrichtlijn […] In het kader hiervan wil ik je vragen om eventueel commentaar op dit voorstel naar mij te e-mailen.”

De eisen
Stichting Rookpreventie Jeugd wil met deze dagvaarding bereiken dat wordt vastgesteld dat de Staat onrechtmatig handelt door zich niet te houden aan het WHO FCTC-verdrag. De stichting eist verder dat de overheid onmiddellijk alle contacten met vertegenwoordigers van de tabaksindustrie verbreekt en alle organen van de staat, inclusief lagere overheden, laat weten dat zij de tabaksindustrie buiten de deur moeten houden. Voor ‘polderen’ met de tabaksindustrie is ten gevolge van het FCTC-verdrag gewoon geen enkele ruimte meer. De Staat moet doen waar hij toe gehouden is: de burger beschermen tegen producten die zijn/haar gezondheid ernstig in gevaar brengen. Daarbij mag de Staat niet worden gehinderd door overleg met diegenen die die dodelijke producten op de markt brengen.

Download hier de complete dagvaarding